Stamboom
Albertus van Duijl


Van opa Albert (1878-1949) het gedicht, "En dag Koning" in de oude spelling.

En dag Koning

Er zwaaide langs de straten een man zeer arm gekleed
Hij had zijn laatste penning in gindsche kroeg besteed
Hij waggelt op zijn benen en zie, daar ploft hij neer.
En is toen blijven liggen, hij kon niet verder meer

De koning met zijn hofstoet reed juist die plek voorbij
Herkende in dien dronkaard een weggejaagd lakei
Hij krijgt een leuke inval en zegt tot zijn lakei
Neemt op dien man en brengt hem voorzichtig naar 't paleis

Wat heeft dit te beduiden vroeg men elkander af
Brengt men de dronkelappen thans naar 't paleis voor straf
't Bevel luidt van den koning, legt in een ledikant
In een van de mooiste kamers ter rust deez' dronken klant.

Haal voor hem schoone kleeren en trek hem die dan aan
Want morgen is hij koning, heeft men mij goed verstaan
Ik zeg voor n dag koning zal hij mogen zijn,
Laat hem aan niets ontbreken, bedien hem uiterst fijn.

Des morgens gaat een dienaar naar 's konings slaapvertrek,
Tikt op de deur bescheiden, zijn hoogheid wordt gewekt,
Doch het blijft stil daarbinnen, geen stem wordt er gehoord
Alleen het vrees'lijk snurken dat slechts de stilte stoort.

De dienaar opent zachtkens de kamerdeur en zegt
Zoo tot zich zelf, 't is grappig, ik ben vandaag zijn knecht
En de gewaande koning, nog van geen kwaad bewust.
Van wat er zou gebeuren, nog lag hij in diepe rust.

Kom sire, wordt eens wakker, U spoedig aangekleed
Het is reeds kwart voor negen, 't ontbijt staat lang gereed,
En eind'lijk wakker , kijkt links, rechts om zich heen,
En zegt de oogen wrijvend, ben ik wakend, ja of neen.

De dienaar helpt den koning en gaat met kleeden voort
En antwoord op zijn vragen, zelfs met geen enkel woord.
Hier zijn uw witte kousen en nu uw schoenen aan
Wenscht Sire na 't ontbijten, uit wandelen te gaan.

De jas met gouden knopen staat u bijzonder goed
Of wilt u soms gaan rijden, hier Sire is uw hoed
De dienaar breng de koning naar beneden naar het ontbijt
Werktuigelijk gaat hij mede, 'k ben toch mijn hoofd niet kwijt

Zoo denkt hij onder het eten, dat hij zich smaken liet,
Ben ik dan werk'lijk koning of ben ik het toch niet.
En na het dejeuneren komt binnen een lakei
Hij vraagt, neemt de sire ook deel aan de rijpartij

Het rijtuig met de zes paarden staat daar voor hem klaar
Hij kan het niet gelooven en ja het is toch waar
Toen heeft hij plaats genomen en zit op zijn gemak
Steekt op een fijn sigaartje, dat vond hij in zijn zak

Toen ging hij plannen maken, 'k wil morgen op de jacht
Op hazen, wilde zwijnen, wat heerlijk toch, hij lacht
En altijd lekker eten, geen zuurkool meer met spek
En ook geen bruine boonen, ik was wel stapelgek

Ook heb ik plan te trouwen een schatrijk gravin
Dat zal zij gaarne willen, zij wordt dan koningin.
Kijk wat een drom van menschen, zij buigen, knikken ja,
We houden opgeheven en roepen luid, hoera !!

En na een uurtje rijden ging men weer naar het paleis
Daar wachtte hem een tafel gedekt met fijne spijs.
Na afloop van 't dineren, rookt hij een cigaret
En heeft zich toen gemakkelijk in een fauteuil gezet

Nu kan hij rustig denken, wat rang hij wel bekleedt
Officieren en soldaten staan thans voor hem gereed
De oorlog te verklaren hangt slechts van hem maar af
Ook krijgen dronken menschen, van hem geduchte straf.

Toen werd hij uitgenodigd een wandeling te doen,
En hij genood ten volle onder 't heerlijk frissche groen.
Die boomen en die bloemen zijn allen nu van mij,
'k Wil morgen wel gaan visschen, verrukkelijk denkt hij,

'k Kan zwemmen in den zomer en schaatsen als het vriest
'k Kan gaan staan, loopen , zitten wel als het mij verkiest.
En na die promenade pracht nu de rijke vorst
Een fijne flesch champagne, verkwikkend voor den dorst.

Een koning mag toch drinken, aan hem staat alles vrij
Hij is nu toch de koning, dus drinken mag ook hij
De heerlijke campgne gleed weldra door zijn keel
Doch kreeg toen successievelijk van het goede wat te veel,

De eene flesch na de andere werd door hem leeg gemaakt
Totdat hij op 't laatste gansch buiten westen raakt.
Hij is door 's konings dienaars in 't holst van den nacht
In zijn armoedige plunje weer op den straat gebracht.

A. van Duijl
Naar de speld en de naald
Terug naar stamboom Albertus